Reglement stichting tuchtrechtspraak mediators

Artikel 1 – definities In dit reglement wordt verstaan onder:
Aangesloten Instelling: de Stichting ADR Centrum voor het Bedrijfsleven, statutair gevestigd te Den Haag, en de Stichting Nederlands Mediation Instituut, statutair gevestigd te Rotterdam.
Aansluitingsovereenkomst: de overeenkomst waarbij een Aangesloten Instelling de Stichting heeft opgedragen zorg te dragen voor de tuchtrechtspraak ten aanzien van de bij die instelling geregistreerde Mediators:
College van Beroep: het krachtens het Reglement in het leven geroepen College dat belast is met tuchtrechtspraak in hoger beroep, tevens in hoogste ressort ten aanzien van een Mediator;
Gedragsregels: de door een Aangesloten Instelling vastgestelde gedragsregels;
Klachtenregeling: de door een Aangesloten Instelling vastgestelde klachtenregeling;
Mediator: een bij een Aangesloten Instelling geregistreerde Mediator;
Reglement: het onderhavige reglement;
Stichting: de Stichting Tuchtrechtspraak Mediators;
Tuchtcommissie: de krachtens het Reglement in het leven geroepen commissie die belast is met tuchtrechtspraak in eerste aanleg ten aanzien van Mediators.

Artikel 2 – Taak Tuchtcommissie en College van Beroep 2.1 De Tuchtrechtspraak waaraan Mediators terzake van de naleving van de Gedragsregels onderworpen zijn wordt in eerste aanleg uitgeoefend door de Tuchtcommissie en in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het College van Beroep.
2.2 De Tuchtcommissie en het College van Beroep kunnen op grond van overtreding van de Gedragsregels de navolgende maatregelen opleggen:
a. waarschuwing;
b. berisping;
c. schorsing van de registratie van de Mediator bij de betrokken Aangesloten Instelling voor ten hoogste één jaar;
d. doorhaling van de registratie van de Mediator bij de betrokken Aangesloten Instelling.
2.3 Bij de oplegging van de maatregel van schorsing van de registratie van de Mediator bij de betrokken Aangesloten Instelling, of de maatregel van doorhaling van de registratie van de Mediator bij de betrokken Aangesloten Instelling, kunnen de Tuchtcommissie en het College van Beroep bepalen dat die maatregel (waar het een schorsing betreft geheel of ten dele) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de Tuchtcommissie later anders mocht bepalen op grond dat de betrokken Mediator zich voor het einde van een in de beslissing aan te geven proeftijd heeft schuldig gemaakt aan enig gedrag in strijd met de op hem van toepassing zijnde Gedragsregels. De proeftijd beloopt ten hoogste twee jaren. Zij gaat in zodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
2.4 Als bijkomende maatregel kunnen de Tuchtcommissie en het College van Beroep openbaarmaking van een opgelegde maatregel opleggen, op een daarbij door hem te bepalen wijze.
2.5 De Tuchtcommissie en het College van Beroep kunnen een klacht gegrond verklaren zonder oplegging van een maatregel.


Artikel 3 – Samenstelling Tuchtcommissie en College van Beroep 3.1 De Tuchtcommissie en het College van Beroep bestaan elk uit:
(i) twee leden die deel uitmaken van de rechtsprekende macht, te benoemen in de functie van voorzitter respectievelijk plaatsvervangend voorzitter door de President van het Gerechtshof te 's-Gravenhage;
(ii) een of meer -doch steeds een gelijk aantal- door elk van de Aangesloten Instellingen voorgedragen leden die geacht mogen worden over deskundigheid op het gebied van Mediation te beschikken, te benoemen door de Stichting.
Leden van de Tuchtcommissie kunnen niet zijn leden van het College van Beroep en omgekeerd. Geen lid kunnen zijn leden van het Bestuur van de Stichting en leden van het Bestuur van een Aangesloten Instelling.
De leden van de Tuchtcommissie en van het College van Beroep worden voor een periode van vier jaar benoemd en zijn steeds herbenoembaar.
3.2 Bij ontstentenis van de voorzitter fungeert de plaatsvervangend voorzitter als voorzitter.
3.3 Door de Stichting wordt aan de Tuchtcommissie en het College van Beroep een (plaatsvervangend) secretaris toegevoegd, die de hoedanigheid van meester in de rechten heeft.
3.4 Door de secretaris wordt in overleg met de voorzitter beslist welke drie leden van de Tuchtcommissie respectievelijk het College van Beroep met de behandeling van een klacht worden belast met dien verstande dat daaraan steeds deelnemen de voorzitter en ten minste een lid als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, onder 1 (ii), voorgedragen door de Aangesloten Instelling bij wie de Mediator tegen wie de klacht is gericht, is geregistreerd. Is de betrokken Mediator bij meer dan één Aangesloten Instelling geregistreerd, dan wordt gekozen voor het lid van de Aangesloten Instelling onder wier vigeur de betrokken mediation heeft plaatsgevonden.


Artikel 4 – Wraking en verschoning 4.1 Een lid van de Tuchtcommissie en van het College van Beroep kan zich verschonen of kan worden gewraakt op grond van feiten en/of omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel over de klacht zouden kunnen bemoeilijken.
4.2 Een verzoek tot wraking dient te worden gedaan uiterlijk op de zitting waarop de klacht wordt behandeld. De overige leden van de Tuchtcommissie respectievelijk het College van Beroep in de samenstelling waarin zij/het zitting heeft, beslissen of de wraking terecht is gedaan. Bij staking van stemmen wordt dit geacht het geval te zijn.
4.3 In geval van wraking of verschoning wordt het betrokken lid vervangen door een ander lid van de Tuchtcommissie respectievelijk het College van Beroep.
4.4 De in het tweede lid van dit artikel bedoelde beslissing wordt aan partijen zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.
4.5 Tegen de in lid 2 van dit artikel bedoelde beslissing staat geen hoger beroep open.


Artikel 5 – Geheimhouding De leden van de Tuchtcommissie respectievelijk het College van Beroep en de (plaatsvervangend) secretaris zijn tot geheimhouding verplicht ten aanzien van alle gegevens die hun bij de behandeling van de klacht ter kennis zijn gekomen.


Artikel 6 – Procesgang 6.1 Iedere belanghebbende -waaronder begrepen een Aangesloten Instelling- kan bij de Tuchtcommissie schriftelijk een klacht wegens overtreding van de vastgestelde Gedragsregels indienen. De Tuchtcommissie stelt de Mediator waartegen de klacht is gericht daarvan in kennis.
6.2 De voorzitter verklaart een klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien de aangesloten instelling een Klachtenregeling kent en de klager zijn klacht niet eerst overeenkomstig die Klachtenregeling bij de Aangesloten Instelling heeft ingediend dan wel indien na indiening van die klacht nog geen tien weken zijn verstreken.
6.3 De voorzitter wijst een kennelijk ongegronde klacht onder opgaaf van redenen af.
6.4 Van de niet-ontvankelijkverklaring van een klacht of van de afwijzing stelt de voorzitter de klager en degene tegen wie de klacht is ingediend in kennis. Hij roept voor de behandeling van klachten, welke hij niet als kennelijk ongegrond afwijst zo spoedig mogelijk nadat hij van de klacht heeft kennisgenomen, schriftelijk een zitting van de Tuchtcommissie bijeen.
6.5 Van een in het tweede en een in het derde lid van dit artikel bedoelde beslissing kan de klager binnen vier weken nadat de schriftelijke bevestiging van deze beslissing aan hem is verzonden, hoger beroep instellen bij de voorzitter van het College van Beroep. Dit hoger beroep dient ingesteld te worden bij een met redenen omkleed beroepschrift. Indien de voorzitter van het College van Beroep het beroep gegrond verklaart, is de voorzitter van de Tuchtcommissie verplicht zo spoedig mogelijk na kennisneming van de beslissing op dit beroep de Tuchtcommissie in zitting bijeen te roepen ter behandeling van de klacht. De in het tweede en het derde lid van dit artikel bedoelde voorzitter neemt geen deel aan de behandeling. De voorzitter van het College van Beroep zendt een afschrift van zijn beslissing op het voornoemde beroepschrift aan:
a. de voorzitter van de Tuchtcommissie;
b. de klager;
c. de Mediator tegen wie de klacht is gericht;
d. het secretariaat van de Stichting.
6.6 De Tuchtcommissie neemt geen beslissing dan na het horen of behoorlijke oproeping van de klager en de Mediator tegen wie de klacht is gericht.
6.7 Partijen zijn bevoegd zich bij de behandeling van de klacht door een raadsman te doen bijstaan.
6.8 De Tuchtcommissie kan getuigen en deskundigen oproepen en horen.
6.9 a. De zittingen van de Tuchtcommissie zijn openbaar.
b. De Tuchtcommissie kan bepalen dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvindt indien een openbare behandeling een goede rechtspleging of de belangen van de betrokkene(n) ernstig zou schaden.
6.10 De Tuchtcommissie beslist binnen tien weken na de zitting.
6.11 De beslissing van de Tuchtcommissie is met redenen omkleed.
6.12 De beslissing van de Tuchtcommissie waarbij de maatregel van schorsing of doorhaling van de registratie wordt opgelegd treedt in werking met ingang van de dag waarop zij onherroepelijk is geworden.


Artikel 7 – Bekendmaking
De Tuchtcommissie zendt van haar beslissing onverwijld afschrift:
a. aan de Mediator tegen wie de klacht is ingediend;
b. aan het secretariaat van de Stichting;
c. aan de Aangesloten Instelling;
d. aan de klager.


Artikel 8 – Hoger beroep 8.1 Van een beslissing van de Tuchtcommissie kan gedurende vier weken na de verzending van het in artikel 7 bedoelde afschrift hoger beroep instellen bij het College van Beroep:
a. de Mediator tegen wie de klacht is gericht;
b. de klager;
c. de Aangesloten Instelling.
8.2 Het hoger beroep wordt ingesteld bij een met redenen omkleed beroepschrift, in te dienen bij het College van Beroep. Het beroep wordt behandeld op een zitting van het College van Beroep die zo spoedig mogelijk na ontvangst van het beroepschrift bijeen wordt geroepen.
8.3 Door het hoger beroep wordt de tenuitvoerlegging van een opgelegde maatregel geschorst.
8.4 Op de behandeling in hoger beroep door het College van Beroep is het bepaalde in artikel 6, zesde tot en met elfde lid, en artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
8.5 Voorziet de beslissing van het College van Beroep in de maatregel van schorsing of doorhaling van de registratie, dan treedt deze in werking met ingang van de datum van de beslissing.


Artikel 9 – Openbaarmaking
De Aangesloten Instelling heeft de bevoegdheid om de beslissingen van de Tuchtcommissie of van het College van Beroep openbaar te maken op de wijze(n) die zij daarvoor geschikt acht. De Aangesloten Instelling dient er zorg voor te dragen dat bij deze openbaarmaking de identiteit van de betrokkene(n) zo min mogelijk bekend zal worden.

terug